Archeologische onderzoeken in het Zeeuwse
Delen via:   

11 / 05 / 2020

De bouw van de wintrackmasten voor de nieuwe hoogspanningsverbinding tussen Borssele en Rilland start naar verwachting eind van dit jaar. Voor die tijd voeren we al voorbereidende werkzaamheden uit, zoals archeologische onderzoeken.

Een bodem kan altijd archeologische resten bevatten. Voordat je in de grond gaat werken, moet je dus uitzoeken of er niks waardevols aanwezig is. RAAP Archeologisch Adviesbureau voert voor ons de archeologische onderzoeken uit. Elke gemeente heeft een archeologiebeleid. Daarin staat welke aanvullende archeologische onderzoeken nodig zijn. Deze moet TenneT vóór de bouw van de nieuwe verbinding realiseren, zodat er geen geschiedenis verloren gaat. Bureau Artefact startte in 2014 met bureauonderzoek, gevolgd door inventariserend veldonderzoek. Ongeveer veertig locaties langs het tracé werden geselecteerd voor nóg een vervolgonderzoek. Die onderzoeken worden nu uitgevoerd door RAAP.

Bijzondere vondsten?

Op ongeveer tien locaties, verspreid over het hele tracé, troffen de onderzoekers archeologische resten aan die nader onderzoek vragen. Het gaat dan bijvoorbeeld om greppels die onderdeel zijn van een al bekende vindplaats uit de middeleeuwen. In ’s-Gravenpolder en nabij Borssele vonden ze een stookplaats uit de middeleeuwen of uit de 17e tot 18e eeuw. En op één locatie in de buurt van ’s-Heer Abtskerke vonden ze aanwijzingen uit de Romeinse tijd. Ook denken de onderzoekers sporen van veenbodembewerking gevonden te hebben, die tot nu toe nog niet bekend waren in Zeeland. Op bedrijventerrein Smokkelhoek in Kapelle werden eerder al aanwijzingen uit de Romeinse tijd gevonden, die nu nader onderzocht worden. Het onderzoek levert goede inzichten op, omdat er over een grote lengte verschillende inkijken in de bodem zijn gedaan. Zo krijgen we een steeds beter beeld van het grote verhaal van de geologische, archeologische en historische ontwikkeling van Beveland.

Na afloop van het veldonderzoek overlegt TenneT met de gemeente of er nog meer onderzoek noodzakelijk is. Vervolgens stelt men een wetenschappelijke rapportage op. Deze wordt uiteindelijk opgenomen in de collectie van de Koninklijke Bibliotheek en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en is dan voor breder publiek beschikbaar.

Annick Brinkman (links), Roosje de Leeuwe (rechts) en Willem Baetsen (midden) vormen namens RAAP Archeologisch Adviesbureau het veldteam voor het proefsleuvenonderzoek.

Op de foto zie je het aanleggen van een proefsleuf aan de Pietersweg in ’s Gravenpolder. Op deze locatie vonden we een stookplaats, die als een donkere, ronde vlek te zien is.

Om een proefsleuf te maken, graven de onderzoekers met een graafmachine in dunne laagjes (circa tien centimeter per keer) de bodem af. In de proefsleuven onderzoekt het team of er historische vondsten in de bodem zitten. Zo ja? Dan kijken ze wat daarvan de archeologische en wetenschappelijke waarde is. Als er bijzonder vondsten worden gedaan, worden ze opgegraven.

Laagopeenvolgingen zeggen iets over de geologische ontwikkeling van het gebied. De onderzoekers documenteren de wanden van de proefsleuven daarom met foto’s en een beschrijving.

Tijdens de aanleg van de proefsleuf loopt men zowel de sleuf als de uitgekomen grond na op vondsten. Dat gebeurt zowel visueel als met een metaaldetector.

We vinden soms munten. Dit is een leeuwen cent uit het einde van de 19de of het begin van de 20ste eeuw, gevonden in ’s-Gravenpolder.