Zuid-West 380 kV

Zuid-West 380 kV



Structuurschema Elektriciteitsvoorziening III

De elektriciteitsvoorziening is voor de Nederlandse samenleving van wezenlijk belang. Daarom vindt het kabinet het wel nodig om voldoende ruimte te reserveren voor de bouw en de uitbreiding van de nationale hoofdinfrastructuur. Het Structuurschema Elektriciteitsvoorziening III (SEV III) is het rijksbeleidskader voor (onder meer) hoogspanningsverbindingen. Deze is in 2009 in werking getreden en heeft betrekking op de periode tot 2020. Het doel van SEV III is het waarborgen van voldoende ruimte in Nederland voor grootschalige productie en transport van elektriciteit.

SEV III bevat onder andere een overzicht met mogelijke vestigingslocaties voor elektriciteitscentrales (met een capaciteit van 500 megawatt of meer) en een overzicht met mogelijke nieuwe hoogspanningsverbindingen. De lijst is niet taakstellend. Met andere woorden, niet alle genoemde verbindingen zullen per se ook worden aangelegd. SEV III voorziet alleen in de mogelijkheid. De aanduiding van mogelijke nieuwe hoogspanningsverbindingen in SEV III is globaal van karakter. In SEV III wordt het begin en eindpunt van de mogelijke nieuwe hoogspanningsverbinding beschreven. Verdere uitwerking van de hoogspanningsverbinding moet op concreet projectniveau plaatsvinden. Aanleg van de nieuwe hoogspanningsverbinding vanuit Borssele is mogelijk op basis van de in SEV III opgenomen lijst.

SEV III stelt een aantal uitgangspunten vast voor het tracé en ook de manier van het aanleggen van de verbinding. Dit zijn:

  1. Nieuwe hoogspanningsverbindingen van 220 kV en meer worden in beginsel bovengronds aangelegd. Op basis van een integrale afweging op projectniveau kan – voor zover dit uit oogpunt van leveringszekerheid verantwoord is - in bijzondere gevallen, met name voor kortere trajecten, ondergrondse aanleg worden overwogen. (SEV III, paragraaf 6.7). Ten aanzien van de tweede zin moet voor de eerstkomende jaren de conditie zoals uitgewerkt in onderstaande box in acht worden genomen. Dit betekent dat voor nieuwe projecten de bepaling in het SEV III “dat op basis van een integrale afweging op projectniveau in bijzondere gevallen, met name voor kortere trajecten, ondergrondse aanleg kan worden overwogen” tot nader orde niet van toepassing kan zijn.
  2. Teneinde geheel nieuwe doorsnijdingen van het landschap zoveel mogelijk te voorkomen, gelden bij aanleg van nieuwe hoogspanningsverbindingen met een spanning van 220 kV en hoger achtereenvolgens de volgende uitgangspunten:
    a. Nieuwe hoogspanningsverbindingen van 220 kV en meer worden waar mogelijk en zinvol met bestaande hoogspanningsverbindingen op één mast gecombineerd.
    b. Nieuwe hoogspanningsverbindingen van 220 kV en meer worden waar mogelijk en zinvol met bestaande hoogspanningsverbindingen of met bovenregionale infrastructuur gebundeld. (SEV III, paragraaf 6.8) 

Daarnaast zijn onder meer ook de volgende uitgangspunten relevant voor het besluit over een nieuwe hoogspanningsverbinding:

  1. Waar hoogspanningsverbindingen Natura 2000, gebieden behorend tot de Ecologische Hoofdstructuur of Nationale Landschappen doorkruisen of op korte afstand passeren zijn de desbetreffende bepalingen (afwegingskaders) uit de Natuurbeschermingswet dan wel de Nota Ruimte van toepassing.
  2. Bij de vaststelling van nieuwe tracés van hoogspanningsverbindingen of wijziging in bestaande hoogspanningsverbindingen wordt steeds het vigerende voorzorgbeleid voor gezondheidsaspecten van elektromagnetische velden in acht genomen. Momenteel is dit beleid voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen uitgewerkt in het VROM advies van oktober 2005. (SEV III, paragraaf 6.10)

Toelichting bij het SEV III principe ‘bovengronds tenzij…’

Momenteel vinden de voorbereidingen plaats voor een nieuwe hoogspanningsverbinding in de Randstad. Ook de aanleg van deze hoogspanningsverbinding vindt plaats met toepassing van de Rijkscoördinatieregeling wat betekent dat de minister van Economische Zaken en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer samen het besluit over het tracé nemen en dit vastleggen in een zogenaamd Rijksinpassingsplan. In de eerste helft van 2008 is de voorgenomen tracékeuze voor de hoogspanningsverbinding van Wateringen naar Zoetermeer (de Zuidring) openbaar geworden. Eind 2008 is hetzelfde gedaan voor het tracé voor de Randstad 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Beverwijk en Zoetermeer (de Noordring).

Bij de keuze voor het tracé was er een beperkte mogelijkheid om delen van dit tracé ondergronds aan te leggen. De Minister van Economische Zaken heeft in een brief op 23 mei 2008 aan de Tweede Kamer aangegeven dat techniek een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de keuze voor boven- of ondergrondse aanleg. Aangegeven is dat studies blijkt dat ondergrondse aanleg van hoogspanningsverbindingen van hoge capaciteit risicovol kan zijn wanneer over grote afstanden wordt verkabeld. Daarom is een totale afstand van 20 kilometer als richtinggevend gehanteerd bij de keuze voor het ondergronds aanleggen van delen van de nieuwe 380 kV hoogspanningsverbinding in de Randstad. Dit op advies van TenneT en Tractebel, die hebben aangegeven dat de netstabiliteit bij grotere lengten verkabeling niet kan worden gegarandeerd. In deze brief is eveneens aangegeven dat TenneT is gevraagd een simulatie te laten uitvoeren bij de Technische Universiteit Delft. De eerste voorstudies voor deze simulatie zijn inmiddels gestart en geven tot nu toe geen aanvullende technische informatie die ertoe zou kunnen leiden deze 20 kilometer uit te breiden. Deze eerste verkennende studies die door de Technische Universiteit Delft zijn uitgevoerd, bevestigen zelfs dat het toepassen van meer dan 20 kilometer verkabeling in het Nederlandse net leidt tot extra risico’s, met name op systeemtechnisch niveau. Resultaten omtrent het onderzoek van de Technische Universiteit Delft waaruit eventueel kan worden afgeleid dat meer verkabeling mogelijk is, worden niet op korte termijn verwacht. Monitoren en nader systeemonderzoek in de komende 6 – 8 jaar zullen moeten uitwijzen of grotere ondergrondse lengtes verantwoord zijn ten aanzien van spanningsstabiliteit en leveringszekerheid.

Tijdens de aanleg van het 20 kilometer lange kabeltracé en na de ingebruikname ervan zullen op internationaal niveau ervaringen worden uitgewisseld, die de mogelijkheid geven de nu uitgevoerde berekeningen aan de praktijk te toetsen en te valideren. Dit betekent dat de eerste onderzoeksresultaten waaruit eventueel afgeleid zou kunnen worden dat meer verkabeling mogelijk is, niet eerder dan in 2014-2016 worden verwacht.

Het kabinet zal mede aan de hand van bovengenoemde ervaringen en onderzoeksresultaten het ondergronds aanleggen van hoogspanningsverbindingen van 220 kV en meer evalueren. Aan de hand van die evaluatie zal het kabinet met het oog op de leveringszekerheid nader bezien, of ondergrondse aanleg van hoogspanningsverbindingen met een spanning van 220 kV en meer over een grotere lengte dan de kritische lengte in de praktijk wel of niet verantwoord is. Tot op dat moment is in verband met de leveringszekerheid voor het gehele Nederlandse transportnet met een spanning van 220 kV en hoger een ondergrondse totale lengte van 20 kilometer richtinggevend. Dit betekent dat voor nieuwe projecten de bepaling in het SEV III “dat op basis van een integrale afweging op projectniveau in bijzondere gevallen, met name voor kortere trajecten, ondergrondse aanleg kan worden overwogen” tot nader orde niet van toepassing kan zijn.
 

 

beschrijving